Sami kwam binnen op een grijze woensdag in november. Zes jaar, krullen, een rugzak die te groot voor hem was. Zijn moeder zette hem af en zei kort: "Hij is verlegen." Toen liep ze weg.

Drie woensdagen achter elkaar zat hij aan dezelfde tafel. Hij keek naar de andere kinderen. Hij speelde mee — een beetje. Maar als er verf, lijm of klei op tafel kwam, schoof hij zijn stoel naar achteren.

Mam wordt boos als ik vies ben.

Dat zei hij toen ik vroeg waarom hij niet wilde meedoen. Niet huilerig — feitelijk. Alsof het een natuurwet was.

De doorbraak

Op de vierde woensdag had een sponsor ons een grote pot vingerverf gedoneerd — fluorescerend, blauw, plakkerig. Ik zette de pot op tafel en zei dat iedereen mocht doen wat hij wilde. Sami zat met zijn handen op zijn schoot.

Toen, per ongeluk — of misschien niet — streek hij met zijn arm langs de pot. Een dikke streep blauw, van zijn pols tot zijn elleboog.

Hij keek paniekerig op. Wij keken hem aan. En toen — ik weet niet wie eerst — begonnen we te lachen. Niet uitlachen. Met hem. Een vrolijk, het-is-oké, het-is-maar-verf gelach.

Sami lachte ook. Eerst voorzichtig. Toen harder. En toen pakte hij zijn andere arm en deed dezelfde streep, expres deze keer.

Wat zijn moeder zei

Toen mam hem ophaalde, vertelde ik haar over de verf. Ik was bang voor haar reactie. Ze keek naar zijn shirt — er zat ook verf op zijn shirt — en haar ogen werden vochtig.

Hij heeft thuis nog nooit echt geknoeid. Ik dacht altijd dat het hem stress gaf. Maar hij straalt.

Sindsdien komt Sami elke woensdag. Hij is niet meer de jongen met handen op zijn schoot. Hij maakt knutsels die ik niet kan thuisbrengen. Hij heeft een blauwe vlek op zijn duim die niet weg wil — en hij vindt dat geweldig.

Soms is een goede middag niet meer dan: een kind dat leert dat vies-zijn niet eng is.

T
Thea
Stichting Speelkameraadjes